Zoeken Print Rss nieuws feed Deel

4. Gestructureerde Kortdurende Residentiële Begleiding

In het leven geroepen om de stokkende uitstroom uit de Gemeenschapsinstellingen te activeren, kreeg GKRB ook vanuit de Vlaamse Gemeenschap de lading mee dat de uitbouw de grondlijnen van de CANO-gedachte diende te volgen. Onze instap in het project ging gepaard met een vast voornemen de hele werking van de voorziening geleidelijk te laten inspireren en doordringen, “als een olievlek”, door de actieve netwerkbegeleiding … Een en ander sluit naadloos aan bij het belang dat wij hechten aan verbondenheid (hetgeen wij zien als een constant wederzijds proces) en in het heil dat wij zien in verbindend werk. We lenen voor de uitbouw van onze GKRB-methodiek de (bijna allesbepalende) stelling dat, gezien steeds meer jongeren in ge- of verbroken contexten leven en zich daardoor ontworteld voelen en de band met de samenleving kwijt zijn, zij zo ook het overzicht op hun eigen context kwijt geraken en een residentiële plaatsing daar alleen een extra stigmatiserende breuk aan toevoegt.

De CANOO zet daarvoor in de plaats:

  • een intensieve begeleiding IN de leefomgeving
  • een dagstructuur en geïndividualiseerd dagprogramma.
  • ondersteuning door de residentie via een tijdelijk, contextondersteunend, -beveiligend, -structurerend of vervangend verblijf
  • vaardigheidstraining in nauw verband met de eigen leefomgeving

We gaan op exploratie in de ruime leefomgeving van de jongeren om kansen te ontwikkelen, evoluties van nabij en actief mee te maken, daarop geënte geïndividualiseerde programma’s te maken, die op te volgen en te begeleiden . Een terugkeer naar het eigen midden en het “gewone” leven staan steeds als eerste keuze voorop; pas als beide duidelijk (nog) niet lukken kunnen alternatieven ingeschakeld worden. Kortetermijndoelen moeten flexibel aangepast kunnen worden, contextelementen moeten een zo volwaardig mogelijke betekenis krijgen. Wij kunnen in enorme flexibiliteit en op eigen initiatief (mits melding aan de verwijzer) omschakelen van gewoon residentieel verblijf naar verblijf in eigen gezin, bij familie, op project, in gastgezin, in therapie of behandeling….

Liefst vooraf, uiterlijk bij de opname zelf moeten de beduidende personen uit de context (dit is duidelijk breder te zien dan de ouders alleen) zoveel mogelijk verzameld worden om letterlijk als een soort cliëntomringend netwerk hun rol binnen de GKRB te kunnen beginnen spelen. Het engagement dat het netwerk reeds heeft, dat er op den duur kan van verwacht worden (expliciet de draagkracht/draaglast-balans) en de mate van “vastheid” van dit engagement zijn zaken voor de intakers.

Uitgangspunt bij de intake is absoluut het vraaggestuurde: niet de aanbodzijde van de voorziening is richtinggevend, maar de gedeelde inhouden van wat context, jongere zelf, verwijzer, de GBJ en wijzelf brengen. Het begrip aanbod kan dan wel in onze gedachten blijven leven, in werkelijkheid zal het steeds moeten gaan over het samenbreien van een samenhangend hulpverleningspakket dat put uit een breed veld van mogelijkheden, flexibel georganiseerd en soepel aan te passen en gericht op coöperatie met het oog op een voor alle partijen gemeenschappelijk maximaal voordeel.

We werken met een “contract” als een geofficialiseerde mogelijkheid om vraaggestuurd te werken. Het is eveneens een belangrijk ritueel moment waarbij we met alle (zoveel mogelijk) betrokkenen rond tafel gaan zitten, op een niet vrijblijvende manier.

Het idee van dit ritueel moment (ook het vraaggestuurd werken met het hele netwerk) vindt een deel van zijn inhoud bij de “Family Group Conference” (Nieuw Zeeland) of de Hergo (Herstelgericht groepsoverleg, Nederland) , zij het dat het eventuele slachtoffer van een als basis voor de maatregel dienende MOF (voorlopig?) niet rechtstreeks bij ons werken betrokken is.

De residentiële opname blijft in bedoeling en in absoluut streven zeer beperkt. Enerzijds vermijden wij daarmee het stigmatiserende (“geplaatst zijn”), anderzijds hoeden we ons consequent voor teveel bevoogding en blijven we subsidiair (de verblijfsfunctie op zich kan, veel vaker dan op het eerste gezicht aangenomen wordt, door de context verzekerd worden) en vermijden we het “besmettend” (wederzijdse beïnvloedingen in een leefgroep zijn soms nefast) effect van het langer verblijf in een voorziening. Als meegenomen nevenverschijnsel betekent een snel doorgeven van de verblijfsfunctie aan de context ook een verlichting voor de door de jaren heen moeilijker wordende residentiële opdracht.

Belangrijk wordt alleszins de “structuurlijn”: een duidelijke lijn van “mogens” en moetens”, met duidelijke gevolgen voor het niet of onvoldoende naleven ervan, die mee onderschreven en geschraagd wordt door de jeugdrechter, die de normerende figuur bij uitstek blijft.

De hulpvraag en het antwoord daarop vanuit een zo goed als permanent overleg tussen contextbegeleider, jongere zelf en het cliëntomringend netwerk zal bepalend zijn voor wat gedurende de begeleidingsperiode gebeurt.

Wij zien de actiefase als een in elkaar gevlochten en zich voortdurend anders vervlechtend geheel van verschillende trajecten, waarvan 4 basale en een pakket specifieke:

  • een context- en/of gezinstraject: behoud en/of herstel van positieve oude relaties en ontwikkelen van positieve nieuwe relaties. Erkennen van het belang van het ergens existentieel gehecht te zijn, ergens fundamenteel bij te horen of deel van uit te maken als belangrijk stuk van identiteitsvorming en -besef. Kennismaking /inwerking/verwerving van elkaars waarden, normen, handhavingswijzen. Positioneren van de waarden van jongere en context in het hulpverleningsproces. Slechts indien duidelijk is voor alle partijen dat een herstel met het gezin en/of de leefomgeving niet mogelijk is, beginnen we uit te kijken naar zelfstandiger woon- en leefprojecten.
  • een maatschappelijk- of samenlevingstraject. Vanuit de schetsen van de geschiedenis en de huidige situatie en de beleving ervan door alle betrokkenen, met bewuste incalculering van het principe van de circulaire causaliteit, mikken op een (op termijn) probleemoplossende zelfactie en in tweede orde een onderhandelde, besproken begeleiding richting gewenste situatie. Met inbegrip van het onbekende, bedreigende, eventueel perspectiefloze van de wereld, dat verlammend kan inwerken op iedereen.
  • een vormings- of scholingstraject: inpassing in een opleiding, heroriënteren, introduceren van een werkervarings- of trainingsprogramma…of inpassing in concrete, (op den duur ook) betaalde arbeid.
  • een vrijetijdstraject: gericht op een voor jongere en context deugddoende vrijetijds-besteding.
  • diverse specifieke trajecten die aangestuurd worden naargelang de situatie en de evolutie van de multiproblematiek dat vereisen; het vaak therapeutisch werken aan agressie-, verwerpings-, hechtings- en nog veel andere problematieken.

Belangrijk bij de uitvoering van de trajecten is alweer de voorafgaande kijk naar de mogelijkheden van het netwerk om een en ander op te vangen/te verwezenlijken en slechts in subsidiaire orde de overweging om de mogelijkheden van de voorziening (zelfs de begeleiding) aan te boren.

Wij verbinden ons evenzeer om alle inspanningen te leveren om de begeleiding van de GKRB-ers te blijven garanderen, ook al treden er (zware) knelpunten of spanningsvelden op tijdens het traject. Daarvoor gebruiken we onze gekende samenwerkingsverbanden als steun en trachten we er nog een heel pakket aan toe te voegen

We kiezen als voorstelling voor een ingewikkeld vlechtwerk van onregelmatige spiralen. Dat is niet rechtlijnig en geeft de dynamiek en de werveling goed weer, ook het op- en neergaan, de opeenvolging van lukken en mislukken, geïnspireerd op het EDDA-model uit het Social Casework. Het vlechtwerk zou een goede weergave moeten zijn van het geheel van persoons- en taakgerichte activiteiten, die gedurende de periode van 6 maanden t.b.v. het cliëntsysteem samen met de cliënt en zijn omgeving opgezet worden, gesneden op de maat van de hulpvraag. Het is tegelijk ook een weergave van het probleemkluwen waar we vaak mee gaan te maken krijgen.

De afsluiting is het formele “helemaal teruggeven” van jongere en context aan zichzelf. Daarom moet er ook een omschreven moment zijn (ook in het kabinet van de rechter. Daarom is het ook goed dat we in een methodisch zuiver emancipatorisch concept streven naar niet-voorzien van vervolghulpverlening; is die er toch nodig, dan zien we nog wel.

Deel 1 | Deel 2 | Deel 3 | Deel 4 | Deel 5 | Deel 6
 

 

 
 
 
 
 
 
Webdesign Dynamic Arts (Gent, Oost-Vlaanderen)